header

« Terug naar het overzicht van Brandpunt januari 2012

januari 2012

Leerzorg: brief aan minister Smet

Mijnheer de minister

 

Betreft: dringende beleidsmaatregelen – onderwijsdecreet XXII

Op 18 mei 2011 deelden wij u mee dat er in het onderwijs onvoldoende draagvlak was voor de gefaseerde implementatie van een decreet Leerzorg met een basisdecreet en aanbouwdecreten. Dat was onze conclusie na de vergaderingen van de resonantiegroepen waaraan o.a. de koepels van inrichtende machten, het GO! en de vakbonden participeerden.

Op 15 juli kwam de Vlaamse Regering tot dezelfde conclusie. Daarom besliste ze om, in afwachting van een invoering van leerzorg op langere termijn, tweeëntwintig dringende beleidsmaatregelen te nemen ten behoeve van leerlingen met specifieke onderwijsnoden. Wij vinden het belangrijk om op te merken dat de Vlaamse Regering tot dezelfde conclusie kwam op basis van de standpunten die de verschillende bij het overleg betrokken geledingen hadden ingenomen tijdens de vergaderingen van de resonantiegroepen en dus niet - zoals wij al te dikwijls lezen en horen - op basis van onze brief van 18 mei.

 

Onderwijsdecreet XXII

De Vlaamse Regering heeft de intentie om een aantal van die tweeëntwintig dringende beleidsmaatregelen op te nemen in het op stapel staande onderwijsdecreet XXII. Wij vinden dat dit niet kan, omdat de overheid stelt - en wij zijn dezelfde mening toegedaan - dat die maatregelen een fundamentele onderwijshervorming inhouden. Juist daarom vinden wij dat ze niet thuishoren in het jaarlijks weerkerend ritueel van een genummerd onderwijsdecreet. Genummerde onderwijsdecreten dienen immers voornamelijk om bepalingen in bestaande decreten bij te sturen en/of om maatregelen te nemen die noodzakelijk zijn voor een ordentelijke start van een nieuw schooljaar. Fundamentele onderwijshervormingen moeten volgens ons doorgevoerd worden via specifieke themadecreten.

 

Inhoudelijke bedenkingen 

1. De voorgestelde beleidsmaatregelen worden vooral verantwoord door te wijzen op het VN-verdrag van 13 december 2006 inzake de rechten van personen met een handicap, dat in 2009 door Vlaanderen werd ondertekend en geratificeerd. Daardoor - zo stelt de Vlaamse Regering - is de plicht ontstaan om de in dat verdrag aangegane engagementen uit te voeren en concreet gestalte te geven. In dat verdrag is artikel 24 van uitermate groot belang voor het onderwijs. Dat artikel geeft aan de personen met een handicap immers niet alleen het recht op toegang tot het algemene onderwijssysteem, maar geeft hen ook waarborgen zodanig dat dit recht kan uitgevoerd worden. Zo moet de Vlaamse Regering de personen met een handicap o.a. ook waarborgen dat:

- hen redelijke aanpassingen worden verschaft naar gelang van hun behoeften;

- zij de nodige ondersteuning krijgen, eventueel aangepast aan het individu, zodat hun effectieve deelname aan het onderwijs vergemakkelijkt wordt.

Daarnaast legt artikel 24 aan de Vlaamse Regering ook de plicht op om passende maatregelen te nemen opdat leerkrachten zouden opgeleid worden in het omgaan met personen met een handicap, zodat zij die personen daadwerkelijk kunnen ondersteunen in het gewoon onderwijs.

Wanneer we de dringende beleidsmaatregelen lezen, dan stellen wij vast dat de Vlaamse Regering enkel en alleen het toegangsrecht van personen met een handicap tot het gewoon onderwijs decretaal wil verankeren. Van de waarborgen die hen moeten geboden worden of van de opleidingen die moeten verstrekt worden, vinden wij geen spoor van inspanning van de Vlaamse Regering terug. De Vlaamse Regering voert hiermee artikel 24 zeer selectief uit en bouwt zo zelf de mislukking van deze fundamentele onderwijshervorming in, omdat de voorwaarden die nodig zijn om een onderwijsvernieuwing te doen slagen, niet aanwezig zijn. Het vervullen van deze voorwaarden vereist financiële inspanningen. Als die er al zouden zijn - wat niet zo is - dan zouden ze op zich zelfs niet volstaan. Het opleiden van leraars in het omgaan met leerlingen met een handicap vereist immers eveneens een planmatige aanpak, en ook deze aanpak ontbreekt volkomen. Het komt ons voor dat de Vlaamse Regering van mening is dat het personeel alle competenties die nodig zijn om te werken met leerlingen met een handicap wel proefondervindelijk zal verwerven.

Competentieontwikkeling is belangrijk, maar het is vooral belangrijk dat de leraar in de klas voldoende mogelijkheden heeft om leerlingen met een handicap te ondersteunen op alle punten waar van hem verwacht wordt dat hij die ondersteuning geeft. Een leraar kan dat trouwens ook maar als hij in zulke omstandigheden les kan geven waarbij hij zowel oog kan hebben voor de noden van de leerling met een handicap als voor de noden van de andere leerlingen.

2. Door haar beleidsbepalingen bemoeilijkt de Vlaamse Regering in grote mate de toegang tot het buitengewoon onderwijs. Dat zal tot gevolg hebben dat er leerlingen zullen zijn die verplicht worden om eerst een traject in het gewoon onderwijs te volgen terwijl een onmiddellijk traject in het buitengewoon onderwijs veel meer aangewezen is. Volgens ons is dat nefast voor de betrokken leerling en is hiermee dus niemand gediend.

3. De Vlaamse Regering weet dat een leerling in het buitengewoon onderwijs meer kost dan een leerling in het gewoon onderwijs. Door het toegangsrecht tot het buitengewoon onderwijs te beperken, moet de Vlaamse Regering in de toekomst minder investeren in het buitengewoon onderwijs. We stellen vast dat de Vlaamse Regering deze ‘besparing’ niet opnieuw investeert  in het onderwijs. Samen met wat we hierboven al stelden, versterkt dat de indruk dat de Vlaamse Regering in het geheel niet wenst te investeren in ‘inclusief onderwijs’. Onze vrees dat deze onderwijsvernieuwing zal mislukken, neemt daardoor alleen maar toe.

4. Uit de standpuntennota die opgesteld werd na de vergaderingen van de resonantiegroepen concludeerde de Vlaamse Regering dat er onvoldoende draagvlak was voor een gefaseerde implementatie van een decreet Leerzorg. Daarom zag zij hiervan af. Wanneer we het geheel aan voorgestelde beleidsmaatregelen bekijken, stellen wij vast dat dit geheel niet erg verschilt van het oorspronkelijke ontwerp van decreet. Alleen het kader (invoering van leerzorgniveaus en clusters) wordt niet ingevoerd, de rest wel. Het hoeft dan ook geen betoog dat er voor het geheel van deze beleidsmaatregelen ook geen voldoende draagvlak bestaat. Het ontbreken van een budgettair kader, het gebrek aan individuele ondersteuning, het risico op overbevraging, het gebrek aan een plan en middelen voor competentieontwikkeling, het niet verlenen van de waarborgen die het VN-verdrag voorziet, ... brengen ons tot het besluit dat de Vlaamse Regering niet alleen de scholen en hun personeel aan hun lot overlaat, maar - erger nog - ook de leerlingen met een handicap.   

 

En nu?

Mijnheer de minister, het bovenstaande betekent niet dat wij ons verzetten tegen de opname in onderwijsdecreet XXII van alle voorgestelde maatregelen. Ons verzet geldt voor die maatregelen die het onderwijs fundamenteel hervormen en waar de Vlaamse Regering tegelijk nalaat om de tools te verstrekken die echt nodig zijn om deze hervorming te doen slagen. 

Wij willen deze brief ook niet beëindigen zonder te bevestigen dat wij verder willen praten over de uitvoering van artikel 24 van het VN-verdrag. Wij hebben - en dat weet u - met een positieve ingesteldheid deelgenomen aan de vergaderingen van de resonantiegroepen. We zullen met dezelfde ingesteldheid deelnemen aan eventueel nieuwe besprekingen, want ook wij zijn de mening toegedaan dat kinderen met een handicap die het gewoon onderwijs aankunnen, recht hebben op dat onderwijs. Maar de eerlijkheid gebiedt ons ook te zeggen dat deze gesprekken pas afgerond kunnen worden als er op dat ogenblik bevredigende antwoorden gegeven kunnen worden op de opmerkingen die wij hierboven formuleerden.

 Vriendelijke groeten,

Hugo Deckers, Algemeen secretaris ACOD Onderwijs

Jos Van Der Hoeven, Secretaris-generaal COC

Marianne Coopman, Algemeen secretaris COV

Dirk De Vos, Gemandateerd secretaris VSOA Onderwijs